Ga weg, nee blijf!

‘Of ik je ooit weerzie, dat weet ik niet. Ook weet ik niet hoe ik dan zal reageren. Je bent altijd bij me en ik geloof eerlijk gezegd dat je altijd bij me zult blijven. Ook als ik wil dat je weggaat. Misschien is dat wel het moeilijkste van alles, dat ik je nooit echt kwijtraak. Ik kan naar India reizen en weer terug; er gaat geen dag voorbij dat ik je stem niet hoor. Ik kan teruggaan naar Nepal om in m’n eentje bergen te beklimmen, je zal tegen me zeggen dat geen berg te hoog is, geen dal te diep.

Ainthana, tum kya karane aae the? 

Wat kwam je doen? Was je destructie, of ware liefde? Een eeuwigdurend pingpongspel. Tik tak tik tok tik tak tik tok tik tak tik tok. Jij aan zet, tik tak, ik aan zet, tik tok. Tik tak, tik tok. Bracht je me thuis of bracht je me juist verder van huis? Nog altijd weet ik daarop het antwoord niet, maar hier en nu neem ik afscheid van je. Hier op Nederlandse bodem vraag ik je: ga weg, ook al hoor ik direct alweer een stem die roept: “Nee blijf!” Ik vraag je: ga weg. Er is maar één die ik echt liefheb en die vraagt nu al mijn toewijding. Ik heb mijzelf bovendien een belofte gedaan: geen leugens meer. Ik kies voor mijzelf, dus rest mij alleen nog dit aan jou te schrijven: je zult altijd bij me zijn ~ en toch zeg ik: vaarwel.’

“Je kunt hier niet in bed blijven liggen.” 

Ainthana trekt aan haar hand en Iris kreunt. 

“Laat me.” Ze draait zich om. De lege fles wijn die daarbij op de grond valt, maakt zo’n hard geluid dat ze haar handen op haar oren drukt. Ainthana pakt de fles op, zet hem naast de anderen die als een groen bed van zaailingen in een rijtje op het keukenblad staan. Ze trekt een gordijn open en zet het raam op een kier om wat frisse lucht binnen te laten. Als ze de kamer verlaat, haalt Iris de handen van haar oren en knippert met haar ogen. Veel licht. Teveel. Ze trekt de deken over haar hoofd. 

“Het is verdomme weekend. Laat me!” 

De woorden vliegen door de ruimte en worden opgevangen door een uitgedroogde plant met drie beige bladeren. 

Op de dag dat Iris besluit te gaan douchen, draait ze de kraan open en legt daarna snel haar hand terug naast haar andere hand die op haar buik ligt, om daarmee vast te houden wat al weg is. Het water van de douche is als smeltwater van een  gletsjer. Het kippenvel op haar lijf geeft aan dat ze leeft. Dan wordt het douchegordijn open gerukt. 

“Dit kan zo niet langer Iris!!!” 

Ze valt bijna als ze aan haar elleboog onder de ijskoude straal vandaan getrokken wordt. Handen nog steeds op haar buik. 

“Doe iets! Ga praten met een psycholoog, ga naar buiten, ga sporten, wat het ook is: doe iets!” 

De stem is zo snerpend dat ze haar handen verplaatst van buik naar oren, maar het heeft geen enkele zin haar oren dicht te duwen. De stem van Ainthana klinkt overal doorheen.  

“Ik ga al! Ik ga al!”, roept Iris. 

Diezelfde middag zit ze tegenover de huisarts waar ze twee weken daarvoor ook al zat. 

“Hoe is het met je zwangerschap?”, vraagt deze. 

Iris kijkt naar haar buik en naar haar beide handen die erop liggen. 

“Mijn zwangerschap?” 

De arts grijpt naar de muis van haar computer en werpt een snelle blik op het scherm. 

“Oh, oh ja, ik zie het hier”, en ze typt een paar zinnen alsof ze het ineens heel druk heeft. Iris kijkt de vrouw recht aan, de vrouw kijkt recht naar het computerscherm en zonder er verder al teveel woorden aan te besteden geeft ze Iris de gevraagde verwijsbrief. In gedachten hoort Iris haar vriendin Ainthana roepen: 

“Trap dat stalen bureau omver!!” 

Heel even glimlacht ze. In de wachtkamer vermijdt ze oogcontact, ze loopt rechtstreeks naar buiten, pakt haar fiets en rijdt naar de sportschool waar ze een jaarabonnement afsluit. 

Ze stuurt haar vriendin een berichtje om te laten weten dat ze heeft geluisterd. Ze krijgt direct eentje terug: ‘Goed gedaan meissie. Hey, en kijk anders ook nog even op Insta, daar zijn wel groepen te vinden voor een healthy lifestyle, zie je gelijk hoeveel calorieën je op een dag mag hebben.’ 

Vanaf dat moment wordt tellen haar leven. Tellen én wegen. Niet alleen weegt ze de havermout die ze secuur per 100 gram in een bakje gooit voor haar ontbijt, maar ook haar lichaam dat zo onnoemelijk zwaar voelt. Een healthy lifestyle betekent ook: geen alcohol meer. Ze gooit de overgebleven flessen weg en als haar schoolvrienden vragen of ze mee gaat stappen, haakt ze af. 

“Laat mij maar.” Dat wordt haar mantra.

“Maar Iris?” 

“Nee, echt, laat mij maar. Het is wel goed zo. Ik blijf thuis.” 

Als tijdens Pasen de sportschool dicht is, voelt ze plotseling een wervelstorm opkomen in haar lijf. Met windkracht twaalf breken dikke takken van de bomen af en scheurt de wind alles wat vast zit los en sleurt het mee de duisternis in. Iris zit op de grond in haar kamer. Knieën opgetrokken tegen haar borst, armen eromheen, met maar één gedachte: ‘Ik moet hier weg!’  

De coupé ruikt naar worst. Nee, de coupé IS worst geworden. En kaas. En vodka. “Zdes’ vypey!”, roept de Rus telkens. “Zdes’ yesh!” De vrouwen naast hem lachen bijna net zo hard als hij, alleen hebben zij geen baard. Als Iris na lang aandringen het glaasje van ze aanneemt, gaan de vrouwen direct naast haar zitten om een selfie te maken. De man wijst naar zijn schermpje waar in Cyrillisch schrift ‘geslaagd’ staat. Waarvoor de veertigers geslaagd zijn is niet helemaal duidelijk, maar dat er vodka op gedronken moet worden wel. En er moet worst in. En kaas! En worst! En kaas! En vodka! Elke keer dat ze het glas heffen, roepen ze: “Nastrovje!” Iris glimlacht, maakt een vlecht in haar lange haren en weet net zo lang tot ze gaat slapen de kaas en worst vriendelijk af te slaan. 

“I am a light traveler”, zegt ze, waarop de baard direct weer druk met zijn schermpje bezig is. 

“Gev to lirn Engelush”, zegt hij. 

Iris kijkt op haar schermpje. Nog altijd geen bericht van Ainthana, maar misschien is dat ook gewoon het beste. Haar boodschap was duidelijk: ‘Zorg goed voor jezelf en vergeet niet dat je niks anders nodig hebt dan het licht in jezelf. Ben je licht, dan blijf je licht!’ Zo voelt ze zich ook, de ritten tussen de steden duren lang en de restauratiewagon in de lange grijs/rode trein is voor mensen met een duurder ticket. Op de stations waar de trein een korte stop maakt, is van alles te koop. Lokale producten, gerookte aardappel, kip en vis. Iris kijkt naar de kiosk en lacht als ze ziet dat de Russen uit haar coupé direct weer worst en kaas inslaan. Zelf houdt ze het bij de komkommer en de crackertjes die ze van huis meenam. Het geeft haar een goed gevoel dat ze er zo lang op kan teren en ook dat ze daardoor weinig afval achterlaat op de plekken waar ze is geweest. Hoe lichter ze op de aarde rondloopt, hoe minder de aarde merkt dat zij er is.

Gelukkig reizen de Russen niet mee tot Mongolië, waar Iris online een kampement van yurts heeft gevonden in een woestijnrotsachtig landschap. Het is nog maar een van de vele plekken die ze zal bezoeken. Met de Trans Siberië Expres laat ze Nederland en alle verhalen ver achter zich. Haar ouders zwaaiden haar uit op Schiphol en vroegen of ze alsjeblieft niet langer dan een jaar weg zou blijven. 

Het Mongoolse kampement ligt er verlaten bij. Stonden er nog mensen op de foto’s die ze voordat ze op reis ging had gezien, zijn die nu allemaal verdwenen. Alleen het echtpaar dat de yurts verhuurt, verwelkomt haar vriendelijk. Vijf traptreden brengen haar naar de knaloranje deur met kleurrijke versiersels. Oranje boven. Een grijswitte kat miauwt haar welkom. In de ronde tent staat een houtkachel, een bed, een stoel en een houten kastje. Iris laat haar rugtas van zich afglijden, al lijkt dat geen verlichting te brengen. Ze knielt voor het kacheltje en maakt vuur. 

De nacht is koud en helder. Als ze de heuvel achter haar yurt oploopt, ziet ze in het licht van de maan een schedel liggen. Van een koe? Zijn hier wolven? Tienduizend sterren zijn stil en geven het antwoord niet. Haar hart doet dat wel; dat bonkt haar borstkas uit. Iris rent over de stenen terug naar de grote tent waar ze alleen haar eigen adem hoort. Zodra ze haar ogen dicht doet is daar Ainthana. 

“Don’t fear. Je bent nooit alleen, ik ben bij je.” 

De aarde van Thailand, China en Nepal ontvangen de voetstappen van Iris en na zes maanden reizen komt zij uiteindelijk aan in Aurangabad, India. Stad van de liefde. Stad van chapati en curry. 

“Hey Kenny!” 

De jongen die ze een paar weken geleden tegenkwam, haalt haar van het vliegveld en zwaait al van verre naar haar. Vanachter zijn zonnebril lacht hij: 

“It is soooooo good to see you again! Cambodja seems months ago! Come, come, we go visit friends!” 

Voordat Iris verder ook maar iets kan zeggen, wordt ze meegetroond de stad in. In de woning van zijn vrienden is het niet minder luidruchtig dan in de overvolle straten van Aurangabad. Iris legt haar rugzak neer zonder daardoor lichter te worden en zoekt een plekje waar niemand is: de keuken. Daar vindt ze haar heil in een stapel afwas. 

“What are you doing here?” 

Een jongen met een grote bos zwarte krullen kijkt haar nieuwsgierig aan. 

“Well, ehh, I’m doing the dishes.” Haar zachte stem blijft tussen de muren hangen. 

“That I can see. But why are you cleaning this place? You just arrived!” 

“I know… please let me be, I am so tired.” 

“You have to eat something. Come!” 

“Oh no please, let me be. I’m okay, thank you.” 

Haar mantra ‘laat mij maar’ leert ze ook heel goed in het Engels uit te spreken.

Knockout valt ze even later in slaap op een bank. 

‘Iris, Iris!” (Ai-ris, airis!) “We’re gonna make a trip, come!” 

Vanonder haar oogleden kijkt ze naar Kenny en laat zich, hoewel glimlachend, met tegenzin omhoog trekken. Als haar lichaam niet zo moe was, dan had het een wit veertje kunnen zijn, dansend in de lucht. Nu voelt het zwaar. Maar ze zet haar lach op en laat zich meevoeren achter op een jeep waar de jongen met de grote zwarte krullenbos ook op staat. Muziek dendert uit de autoboxen. De kuilen in de weg schudden haar wakker. 

“Cool music!”, roept ze boven de bastonen en het geronk van de motor uit. 

“Yeah! I’ve made it!”, knipoogt de krullenbol die een kuiltje in zijn wang heeft als hij lacht. Zijn baard is jong. Op zijn T-shirt staat: ‘There is no Planet B’. 

“My name is Saurabh”, roept hij. 

“Iris!”, en ze legt haar hand op haar hart. Als Saurabh tijdens een stop van de jeep afstapt, raapt hij de peuk op die zijn vriend op de grond heeft gegooid. 

Hij-raapt-de-peuk-op-die-zijn-vriend-op-de-grond-heeft-gegooid. 

There is no planet B. 

Iris staart naar hem. 

Iris ziet hem ~ en ze ziet zichzelf. 

Saurabh staart naar haar.

Saurabh ziet haar ~ en hij ziet zichzelf. 

“Would you like to join me for lunch tomorrow? Watch a movie, or may be pick up some plastic together?” 

Die week zijn ze voor het eerst sinds eeuwen weer samen. Elke dag wordt ze wakker in zijn armen en schenkt hij haar zijn brede lach. Elke dag gaan ze naar hetzelfde eettentje. Twee keer per dag voert hij haar chapati en curry. Kleine hapjes, alsof ze pas net op deze aarde geland is en hij haar laat wennen aan het eten van vast voedsel. Aurangabad, India. Stad van de liefde. Stad van chapati en curry. Stad waar ze thuiskomt. Stad waar haar hart opent. Stad waar haar lichaam zich opent. Ook de stad waar de wetten van zijn ouders gelden en in die wet staat scherp en helder: ‘There is no Plan Iris’, maar als ze na maanden afscheid neemt van Saurabh, zegt ze: 

“I will be back as soon as I can.” 

Vlak na haar thuiskomst vraagt ze in Nederland opnieuw een visum aan om zo snel mogelijk terug te reizen naar haar liefde, maar de boodschap van zijn ouders daar blijft hetzelfde: ‘There is no Plan Iris.’ Saurabh zal een dokter moeten trouwen en toch vooral niet het Friese meisje met het grote hart en de zachte stem. 

“We simply cannot accept this”, zegt zijn moeder als ze elkaar voor de tweede keer treffen op een feest van Saye, een goede vriendin van Saurabh. Zijn vader kijkt minachtend naar de lange blonde Hollandse haren van Iris. De Indiase sari die ze speciaal voor de gelegenheid aanschafte, is voor hem van geen enkele waarde. Hij zwijgt in alle talen en laat zijn vrouw het woord doen. 

“You are not a doctor, the only thing you want is his money. We’ve been here before. Saurabh has had his chance with this European woman, horny for his money. He has learned his lesson well, came home completely broke. We cannot accept this again. You must go! Listen to me girl. You MUST go! I do not want to repeat this again.” Resoluut heft de moeder haar hand, alsof ze in haar eentje een locomotief tot stoppen moet brengen. Een locomotief waarop met glitters ‘Geldwolf’ staat.  

“Iris, my love, I will finish my study and after that we will be together again, I promise…” 

Met die belofte van Saurabh reist Iris terug naar Nederland. Het platte land waar ze geboren werd in een havenstad van het Noorden, met een kaal achterland vol kleurloze suikerbieten, eeuwig geteisterd door harde en frisse zeewind. Home sweet home. Haar tranen vallen in de scheuren van de koude Friese klei. 

Licht en onzichtbaar danst ze tussen duizend mensen met haar blote voeten in het zand. Gezicht beschilderd, haren los. Hier is ze thuis, op een plek waar niemand iets van haar verlangt. Met haar ogen gesloten beweegt ze op het ritme van de muziek. Zij is de kleuren geworden. Zij is de regenboog die het hele bestaan omvat. Haar lichaam bestaat niet meer. Iris is het pure licht zelf en dat is alles wat zij wil zijn. Met het openen van haar ogen ziet ze de wereld zoals zij die wil zien, met lachende, dansende mensen die kleur bekennen en de gedachte die haar sinds haar terugkomst in Nederland tergt, raakt al dansend op de achtergrond. De stem die maar steeds herhaalt: ‘Ik stap uit deze ellende, rijd mij maar dood’, maar er is telkens geen auto die dat voor haar doet. Dat het kleine postzegeltje op haar tong de werkelijkheid als een stipje op een groot beschilderd doek laat verdwijnen en een nieuwe waarheid maakt die uit pure liefde bestaat, maakt haar diep van binnen zo kalm. 

Al is het maar voor even. 

“Ainthana, Ainthana?” 

Het blijft lang stil. 

“Ainthana, ben je daar?” 

In de doodse nacht roept Iris haar en plots is haar vriendin er. 

“Wat is er meissie?” 

“Ik voel me zo alleen en zo zwaar.” 

“Je bent niet alleen en aan de zwaarte is altijd wat te doen, dat weet je toch? Lichtheid in jezelf, vind je door lichtheid te creëren. Kom maar met me mee.” 

Iris stapt uit bed en laat zich meenemen. Haar vriendin opent de voorraadkast en pakt een pak cornflakes. 

“Hier.” 

Iris opent het pak en graait met een trillende hand door de zak, propt de flakes in haar mond alsof ze al een maand niet gegeten heeft. De rillingen liepen haar over de rug toen ze deze ochtend het getal 62 op de weegschaal zag verschijnen. Waar is de 50 van weleer?! Het pak is zomaar leeg. Ze kijkt in de ogen van haar vriendin die niks zegt, alleen maar terugkijkt. Het is alsof ze in een spiegel van leegte staart. Ze loopt naar het toilet. Knielt en kotst. Terwijl haar maag een oranje brei eruit pompt, aait haar vriendin Iris zacht over de rug. 

“Goed zo meissie. Je doet het goed. Heel goed.”

Haar buik is opgezet en doet zeer. 

Uitgeput gaat ze op bed liggen, met maar één gedachte: ‘Lag ik maar in coma.’  

Dansen, dansen, dansen! Het maakt Iris vrij van de geest die haar in coma wenst. De lichtgevende kleurrijke hoepel die daarbij om haar middel draait, brengt het kind in haar naar boven; de regenboog, de ware regenboog die zij is! In Leeuwarden, de stad waar ze is gaan wonen na haar reis, staat ze op de dansvloer in de Prana Tempel. Een tempel vol levensenergie waar de DJ zijn publiek met zijn muziek in extase brengt, zonder dat daar postzegeltjes of pillen voor nodig zijn. Iris komt thuis.

“Wat neem jij mee voor de potluck?” 

“Iets zoets!”, roept ze door de telefoon en ze bakt een vegan worteltjestaart. Ze neemt het mee naar haar vrienden van Ecstatic Dance en zit na het opbouwen en aankleden van de Tempel aan een rijkgevulde tafel. Iedereen heeft iets lekkers meegenomen. Het is een feest van zoet, zout, zuur, bitter en umami. Ze staart naar de overvloed en naar haar eigen taart waar iedereen door van z’n stoel valt. 

“Dit is niet normáál zo lekker!”

Ze glimlacht verlegen en zegt iets van ‘ach’, maar dat wordt niet gehoord door de kakofonie aan stemmen van de anderen. Gelukkig merken ze daardoor ook niet dat zij haar stuk taart overslaat. Wel neemt ze een crackertje. 

“Hey, wat heb je daar op je bovenarm?”, vraagt ze aan de vrouw van de DJ die naast haar zit. 

“Oh, ik heb een Kambo-ceremonie gehad, om mijn lichaam te helen. Ken je dat?”

“Is dat die gif-kikker uit de Amazone?” 

“Ja… het helende kikkergif. Binnenkort reis ik naar de piramides van Bosnië en ik wil dat mijn systeem helemaal schoon en open is als ik daar ben.” 

Ze kijken elkaar aan en in dat ogenblik wordt er een stipje in de tijd gezet waarop Iris kan terugvallen als ze het echt niet meer weet. 

“Nou, daar mag je me wel eens meer over vertellen Mika.” 

“Komt goed! Nu eerst dansen Iris, dansen, dánsen op de vulkaan!!!!” En weg vliegt ze, haar lange blauwe rok wappert door de ruimte. 

Als Iris wakker wordt hoort ze de stem van Ainthana: 

“Je mag wel een pannenkoek, maar dan moet je eerst een uur wandelen.” Met tegenzin staat Iris op. Haar maag knort alsof er een heel varken in zit dat wil uitbreken. Het knorrende beest negeert ze. Ze trekt haar gympies aan en gaat naar buiten, daar waar honger niet bestaat. Dit kan ik de hele dag wel volhouden, voelt ze. Trots. 

In de avond dient het varken zich opnieuw aan en ze ziet zichzelf haar fiets pakken en van huis gaan. Als ze door de supermarkt loopt, verlangt ze terug naar India. Kleine marktkraampjes en mensen die op straat de meest smaakvolle gerechten maken. Kleine hoeveelheden. Behapbaar. Met liefde bereid. Hier in Nederland schreeuwen de schappen: ‘VREET MIJ!’ in alle kleuren en maten. Er is geen keuze te maken, omdat er simpelweg teveel keuze is. Iris staat voor de chips. Bolognese, patatje Joppie, hamkaas, peper, paprika, extra zout, puur aardappel, boerenchips en chips van de boer, cheese onion, superchips, ribbelchips, pomtips, Mexican peppers & cream, red sweet paprika, Thai sweet Chilli, Strong chips, perfect with beer chilli and lime, perfect with hot chicken wings, perfect with jalapeno and cheese, nacho’s in alle kleuren en natuurlijk: NATUREL, want het moet ook simpel blijven. Iris sluit haar ogen en pakt een zak, koopt er een reep chocolade bij (van hetzelfde laken en pak; teveel keuze, dus ze maakt de keuze met ogen dicht). Thuisgekomen stopt ze alles in haar mond om het varken stil te krijgen. Als na het krakende geweld de stilte eindelijk wederkeert, is daar Ainthana: 

“Kom maar meissie. Ik help je wel.” 

Samen lopen ze naar de badkamer. Iris staart naar het witte glazuur van de pot. De geur die eruit komt zou het proces al op gang moeten kunnen brengen, maar er gebeurt helemaal niks. Het lichaam reageert niet. Het lichaam negeert haar. Lamgeslagen staat ze op, kijkt in de spiegel en ziet dat Ainthana net zo bleek is als zij. Ze opent het medicijnkastje en pakt het potje laxeermiddel, neemt een slok water en slikt de pillen door. 

“I miss you so much my love, please please, tell your parents we are still together! I cannot take this anymore. Every day we see each other, everybody knows it but your parents. They have to feel our love. I know they will when they see us together. Your soul and mine are one. Tell your mother I do not care about the money, tell your father we live the same story as theirs. They too chose to live their love, even when your dad was not in the same caste as your mom. I truly come in peace, tell them. I’ve only come to love you, just to be with you is all I want!” 

Ze kijken naar elkaar via het schermpje. 

De zwarte bos krullen en het lange blonde haar. 

Hij zucht. 

Zij huilt.

“I know”, zegt hij. “Believe me, it will all be alright soon.” 

Ze hangt op en direct daarna gaat de telefoon opnieuw. Ze wil hem uitzetten, maar ziet dan dat het haar moeder is. 

“Iris, wij willen graag met je praten.” 

Als ze in de havenstad waar ze werd geboren tegenover de huisarts van haar ouders zit, voelt ze niks. Een leeg blik tropische limonade is ze. Haar ouders zitten aan weerszijden van het blik. 

“Je heit en mem hebben me ingeschakeld, omdat ze zich zorgen over je maken Iris.” 

Ze hoort de stem van de arts, maar tegelijkertijd suist er iets in haar oren. Ze glimlacht gedwee en zegt dat ze het begrijpt. Haar buik is zo bol dat de baby die daar jaren geleden in groeide er nog best eens in zou kunnen liggen. Waar ben je?, denkt ze. Waar ben ik? Haar moeder pakt haar hand. Iris kijkt naar haar en dan naar haar vader. Als er twee mensen zijn die ze geen pijn wil doen, zijn het deze twee. Dus ze zegt: 

“Okay, ik ga wel.” 

De huisarts knikt tevreden, alsof zijn bemiddeling de gouden greep is geweest en geeft haar de verwijzing naar de psychiater die pas over acht weken ruimte heeft. Iris weet dat het over acht weken te laat is. Het blik is leeg, de koek is op en ligt uitgekotst in de plee. Als Ainthana van zich laat horen, zegt Iris: 

“Ik neem afscheid van je. Echt. Ik ben er klaar mee. Ik ben klaar met jou.” 

Ze pakt haar telefoon, twijfelt nog wel een seconde, maar scrollt dan met haar vinger naar de M.

“Hoi. Met Iris. Wil je met me komen praten? Ik heb hulp nodig.” 

Met tranen in haar ogen lacht ze, omdat ze het ein-de-lijk heel zacht maar hardop durft te zeggen: “Help!” 

“Saurabh, you know I truly come in peace, tell them. I’ve only come to love you, just to be with you is all I want!” 

“I know”, zegt hij. “Believe me, it will all be alright soon.” 

“SOON?!” Iris smijt haar telefoon weg achter de bank en schreeuwt tot aan de Waddeneilanden: “WE HAVE BEEN TOGETHER FOR ALMOST TWO YEARS NOW, WITHOUT YOUR PARENTS KNOWING! SOON?! NOW! YOU HAVE TO TELL THEM NOW! YOU’VE ENDED YOUR STUDY, YOU PROMISED TO COME! GO TO YOUR PARENTS AND TELL THEM ABOUT US!” Vanachter de bank hoort ze: 

“Tomorrow, okay, tomorrow I’ll drive to my parents house.” 

Nog diezelfde dag gaan de grenzen van India dicht. Het cremeren van duizenden doden door COVID-19 zorgt voor dikke smog boven de steden. New Dehli verlengt de lockdown, net als in Nederland. Saurabh studeert af en is de lang gekoesterde wens van zijn ouders geworden: chirurg. Dit zou het moment moeten zijn geweest om naar Iris te reizen. “Iris, my love, I will finish my study and after that we will be together again, I promise…” 

Bijna twee jaar lang hebben ze elkaar via videobellen gezien. Elke date was via een schermpje. Samen lachen, samen dansen, samen drinken, samen huilen, samen koken, samen film kijken en de liefde bedrijven: allemaal via twee kleine schermpjes, met achtduizend kilometer ertussenin. 

‘Of ik je ooit weerzie, dat weet ik niet. Ook weet ik niet hoe ik dan zal reageren. Je bent altijd bij me en ik geloof eerlijk gezegd dat je altijd bij me zult blijven. Ook als ik wil dat je weggaat. Misschien is dat wel het moeilijkste van alles, dat ik je nooit echt kwijtraak. Ik kan naar India reizen en weer terug; er gaat geen dag voorbij dat ik je stem niet hoor. Ik kan teruggaan naar Nepal om in m’n eentje bergen te beklimmen, je zal tegen me zeggen dat geen berg te hoog is, geen dal te diep. Saurabh, tum kya karane aae the? 

Wat kwam je doen? Was je destructie, of ware liefde? Een eeuwigdurend pingpongspel. Tik tak tik tok tik tak tik tok tik tak tik tok. Jij aan zet, tik tak, ik aan zet, tik tok. Tik tak, tik tok. 

Bracht je me thuis of bracht je me juist verder van huis? Nog altijd weet ik daarop het antwoord niet, maar hier en nu neem ik afscheid van je. Hier op Nederlandse bodem vraag ik je: ga weg, ook al hoor ik direct alweer een stem die roept: “Nee blijf!” Ik vraag je: ga weg. Er is maar één die ik echt liefheb en dat is mijzelf. Zij vraagt nu al mijn toewijding. Ik heb mijzelf bovendien een belofte gedaan: geen leugens meer. Ik kies voor mijzelf. Dus rest mij alleen nog dit aan jou te schrijven: je zult altijd bij me zijn mijn liefste Saurabh ~ en toch zeg ik: vaarwel.’


Over Iris

Betekenis van haar naam:

‘Bode der goden: Regenboog’ 

Vrouwen zie ik als godinnen. Ik geloof dat wij vrouwen de wereld kunnen veranderen in positieve zin, alleen zit daar nog veel onderdrukking bij. We leven in een mannenwereld. Vijf dagen werken, twee dagen weekend, volle banen en laten zien wat je presteert. Alles moet gezien worden, terwijl ik geloof in de kracht van het onzichtbare. Dat wat een vrouw doet in het huishouden, bij het opvoeden van de kinderen zie ik als ware prestatie. Ik ben opgegroeid in een jongensgezin en speelde altijd met jongens, maar nooit heb ik een jongen willen zijn. Ik vind vrouw zijn heel krachtig en ik ben dankbaar dat ik vrouw mag zijn. Ik ben als een boom; een oplaadpunt voor mensen om mij heen. Zorgzaam en krachtig, puur en schoonheid, eerlijk en respectvol. 

Over Sisterhood 

Voor mij betekent sisterhood een veilig vangnet waar je in kunt zakken. Elkaar steunen in het vrouw-zijn. Zien dat er nog altijd onderdrukking is in de wereld en in die wereld van onderdrukking veilig bij elkaar kunnen zijn. Als medicijnvrouwen die we zijn de wereld mooier maken, in plaats van vernietigen.

Iris:

Mijn levensdoel is vrouwen veilig te laten zijn in zichzelf, waardoor zij krachtig in het leven staan. Ik wil vrouwen laten voelen dat we elkaar steunen en dat we dat ook openlijk en oprecht laten zien aan elkaar.” 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll naar top