De Waarheid

“Wat wil je leren als je naar de Aarde gaat?” 

“Ik wil leren eerlijk te zijn.” 

“Eerlijk zijn?” 

“Ja, ik wil leren de waarheid te spreken.” 

“De waarheid, zo zo, dat is geen kleine wens. Ben je bereid de lessen te leren die daarvoor nodig zijn?” 

“Ja, dat is natuurlijk de reden van mijn reis!” 

“Je lijkt aardig zelfverzekerd. Nu al, zonder dat je überhaupt een zelf hebt. Een lichaam.” 

“Ik sta te springen om te gaan, snap je? Ik wil het voelen, ik wil het zien, ik wil het beleven! Mag ik gaan, toe, mag ik nu gaan?!” 

“Geduld is een schone zaak, dat zul je ook leren op de plek waar zwaartekracht heerst. Geloof me, je zult nog terugverlangen naar de lichtheid, dus, kom eerst nog maar even mee…” 

Imamiah neemt de ziel mee een ze bewegen zich door de Zeven Poorten van Verlichting. 

Op de eerste poort staat ‘Ik besta’. 

“Vanaf het moment dat jij straks de laatste trede van de Trap der Verwezenlijking afstapt en je voeten op de Aarde zet, besta je op twee plekken. Het licht waaruit je bestaat zul je daar niet zo sterk meer ervaren, omdat je incarneert. Je gaat letterlijk het vlees in. Je wordt een wezen van vlees en bloed. Daarom geef ik je zeven kleuren mee om je te helpen herinneren waar je vandaan komt. De eerste kleur is rood en daarmee geef ik je jouw oerinstinct. In deze rode gloed zul jij overleven met de drie V’s. Als basis krijg je: Veiligheid, Voeding en Vechtlust. Wat er ook met je gebeurt: dit is jouw anker, dat kan niemand je afnemen. Je hoeft alleen maar te zeggen: “Ik ben hier en nu”, om de veiligheid in jezelf terug te vinden. Vertrouw je daarop?” 

“Ja, ik zal daarop vertrouwen.”

Op de tweede poort staat: ‘Levensplezier’

en ze komen in een grote oranje bol terecht waar duizenden vlinders vliegen. “Zie je deze dieren? Zij staan symbool voor jouw leven. Je zult sterven en opnieuw beginnen, sterven en opnieuw beginnen. Poppen en ontpoppen, je vleugels uitslaan en weer genadeloos neergaan. Bij alles wat je meemaakt zul je voortdurend op zoek zijn naar jouw eigen plek. Het zoete verlangen van het leven zal je voortdrijven, totdat je beseft dat jouw thuis zich in jouzelf bevindt. Begrijp je dat?” 

“Thuis is toch altijd hier?” 

“Ja, alleen daar zul je je niet bewust zijn van hier, vandaar dat ik je de vlinder meegeef als symbool voor het verlangen en de vreugde die je hier kent. Zodra je die ware vreugde op Aarde ervaart, weet je dat je thuis bent. Plezier maken is het credo! Doe datgene waar je vreugde aan beleeft.” 

“De vlinder, okay, ik onthoud die vlinder, dat beloof ik.” 

De derde poort brengt ze naar een schitterende stad vol juwelen.

Alles fonkelt, alles geeft licht, alles straalt. “Als jij straks in jouw aardse lichaam komt, dan is dit de plek waar jij je kracht terugvindt. Ik zeg expres ‘terugvinden’, omdat er momenten zullen zijn waarop je jouw kracht kwijt bent. Dit is jouw schatkamer, die draag je straks in je. Zolang jij je daar niet bewust van bent, zul je jouw Veiligheid, Voeding, Vechtlust en Vlinders niet in contact kunnen brengen met het hart ~ en dat is nu juist nodig om een compleet mens te zijn. Ja, je zult kracht ervaren, maar op een heel andere manier dan ik hier nu bedoel. De kracht van deze stad is van onschatbare waarde. Dat zul je beseffen als jij vanuit het diepste van je ziel zal roepen: “Ik wil dit niet meer!!! Ik wil VRIJ zijn!!!” Zodra je deze juweel in jezelf terugvindt, manifesteer je wat jij wilt, dat is Ware Vrijheid.” Precies op dat moment barst een zon open en kleuren alle stenen in de stad geel. “Ik geef je deze kleur en daarmee de herinnering aan deze plek: jouw haven van Wilskracht.” 

Op de vierde poort staat ‘Compassie’.

“Als jij straks op de Aarde komt, dan is het eerste wat je doet ademen. Adem is leven en leven is bewegen. In je lichaam is het jouw hart dat pompt en ervoor zorgt dat jij bent waar je bent: in een levend wezen. Dat wezen zal in een spiegel kunnen kijken en niks zien van wat je hier nu ziet. De vraag is of jij jezelf zult accepteren zoals je bent, daar op Aarde, met alles wat je meemaakt in het leven dat je leidt. Deze poort heet niet voor niets de Poort van Compassie. Je komt als een bolletje liefde naar de Aarde toe, je staat in verbinding met alles en iedereen en je hart staat compleet open. In die opening van onschuld gaan gebeurtenissen plaatsvinden en de vraag is of je dan mededogen kunt hebben, zowel voor jezelf als voor anderen. Ben je in staat in liefde te kijken naar wat er gebeurt? Het antwoord zul je vinden in de natuur, omdat de natuur de groene oase van het leven op Aarde is en de kleur groen geef ik je mee om Liefde te ervaren. 

Nog voor ze bij de vijfde poort arriveren, is gezang horen

. Een harmonie zo rijk dat het opgaat in alles. Op de poort staat: ‘Zing!’. Imamiah zegt: “Op de Aarde krijg je een stem, die krijg je om hem te gebruiken, alleen: gebruik hem op de juiste momenten. In de stilte is de muziek van het leven te horen. In essentie is die net zo harmonieus als de klanken die je hier nu ervaart. Met welke woorden verbreek jij de stilte? Er zal een moment komen waarop jij denkt dat je maar beter je mond kunt houden, omdat je bang bent dierbaren te verliezen als jij je uitspreekt. Maar je krijgt jouw stem niet voor niets. Die mag je gebruiken om de waarheid te spreken, dat is waarom jij kiest voor het leven. 

Het is belangrijk dat je eerlijk bent over jouw gevoelens en jouw behoeften; dat is jouw waarheid. Om dat te uiten, krijg je de kracht van geluid mee. Geluid is trilling en trilling is energie, zoals je dat hier kent. Uit jij je niet? Dan is er geen geluid, geen trilling en zonder trilling is er geen beweging. Dan stokt de boel en zoals ze op Aarde zeggen: “Stilstaand water gaat stinken.” Er is maar één ding dat je hoeft te onthouden: gebruik je stem en ZING! Dat zal je terugbrengen naar je hart en je hart weet wat goed voor jou is. Je stem is een kostbaar geschenk, net zoals de hemel die blauw kleurt. Je hoeft straks alleen maar naar de lucht boven je te kijken om je te herinneren dat je jouw waarheid mag spreken. 

Ook al gaan ze uit de vijfde poort, het heldere gezang blijft hoorbaar, alsof het de basis van bezieling vormt.

Boven de zesde poort staat: ‘Intuïtie’.

“Als je gaat, dan krijg je een dieper weten mee. Zoals de oceanen op de Aarde in de diepten hun ware schatten bewaren, zo zul jij ook een schat in bewaring houden die diepblauw kleurt. In de diepte zul je verbinding kunnen maken met dat wat voor het menselijk oog niet zichtbaar is. Die plek noemen wij het Oog van de Wijsheid. Waar op Aarde wijsheid gelieerd is aan het geestelijk vermogen, is dat een omkering van hoe wij het hier ervaren; wijsheid is het ongrijpbare en onnoemelijke vermogen van de Grote Geest. Die Geest staat los van het denken. 

Gebruik het geestelijk vermogen dat je in het lichaam cadeau krijgt precies zoals je de kracht van de stem gebruikt: wees je ervan bewust wanneer je de stilte verbreekt. Zolang je de stilte niet hoeft te verbreken met denken, laat de geest dan kabbelen als een rivier. In die stilte zul je in contact komen met het diepere weten en dat is jouw lijntje met thuis. Het zal tot de helft van je leven duren, voor je dat lijntje hervindt. Tot die tijd zal de menselijke geest je tergen en de stilte in jezelf verstoren met voortdurende gedachten. Vertrouw erop dat er een moment komt waarop je thuiskomt en ware eenheid ervaart, nog voor je hier weer terugkeert.”   

Ze arriveren bij de zevende poort waarboven staat: ‘Eenheid’.

“Op Aarde zul je een naam krijgen, gegeven door je ouders. Hun gidsen fluisteren die naam in, dus die komt vanuit hun hart. De ware naam van elk mens is echter geen. Het moment waarop je begrijpt dat je niets anders hoeft te zeggen dan: “Ik ben”, zonder daarachter je naam te zeggen, zul je in verbinding zijn met Eenheid. Zing daarom “Ik ben”, want het is niets meer en niets minder dan wat jij hoeft te zijn. Er hoeft geen naam achter, er hoeft geen functie achter, er hoeft geen betekenis achter, er hoeft geen gevoel achter, er hoeft geen emotie achter. Ik ben volstaat. Ik ben brengt je Hier. Ik ben geeft je vertrouwen. Ik ben laat je zijn zonder ook maar iets te hoeven zijn. Ik ben brengt je thuis, zonder dat je ooit bent weggegaan. Wij nemen zometeen dus ook geen afscheid, want met het violet lichtkoord dat ik je bij deze schenk, zul je altijd verbonden zijn met deze plek.” 

Imamiah toont een koord dat geen einde kent en geeft het aan de ziel die zo graag de waarheid wil leren spreken op Aarde. “Tot slot wil ik je meegeven dat het een keuze is of je slachtoffer of dader wordt. Ook daarvoor geldt, slechts: “Ik ben”, zonder dat je daar het woord slachtoffer of dader achter hoeft te plaatsen, want dat is enkel het verhaal dat je maakt en je bent je verhaal niet. Je bent niet de rol die je vervult op Aarde. 

Onthoud dit: het kompas van compassie kent geen richting. In elke richting is namelijk vergeving mogelijk; of je nu naar het Noorden kijkt waar koude heerst, naar het Zuiden waar de warmte je wenkt, naar het Westen waar de zon ondergaat, of naar het Oosten waar de zon weer opkomt. Je gaat naar de Aarde om te leren hoe je eerlijk bent en jouw waarheid spreekt. Ik vraag je nog één keer: ben je bereid de lessen te leren die daarvoor nodig zijn?” 

“Ja.” 


“Als jij hierover ook maar één woord tegen je moeder of je oma zegt, dan sta ik nie in voor de gevolgen heh. Ze zullen ontzéttend verdrietig zijn. Ze zullen boos worre en dat is dan jouw schuld. Dat wil je niet op je geweten hebben, toch? God zal het weten als je praat!” 

Het blonde meisje kijkt naar de man die zij ‘Opa’ noemt, maar die eigenlijk in het echt haar opa niet is. Geen bloedband. Heel langzaam schudt ze haar hoofd heen en weer, terwijl ze in het donker met grote ogen naar de man kijkt. 

“Je hebt niks gezien en je zult zwijgen. Hedde ge dat begrepen?” 

Onzichtbaar knikt ze, haar duim in de mond, en zodra hij de deur van de zolderkamer sluit, kruipt ze heel zachtjes tegen haar grote zus aan die trillend in het grote bed ligt. Ze durft niet te bewegen, maar legt uiteindelijk toch haar hand op de schouder van haar zus. Niet om het schudden te laten stoppen, maar om simpelweg te laten voelen dat ze er is. Haar zus pakt de kleine hand vast om haar hetzelfde te laten weten: ik ben er, wij zijn samen. Jij en ik: wij zijn samen. 

Het duurt een leven lang voor de nacht verdwijnt. 


“Véronique! HELDIN!” 

Ze wordt opgetild door haar klasgenoten en op de schouders van de jongens wordt ze door de gangen van de school gedragen. Eén van de meiden heeft een gettoblaster op haar schouder en uit de boxen klinkt keihard David Bowie: 

‘I, I will be king, and you, you will be queen. 

Though nothing, will drive them away. 

We can be heroes, just for one day. 

We can be us, just for one day.’

De conciërge kijkt oogluikend toe en de eersteklassers rennen naar het raam om te zien wat er op de gang gebeurt als de vierdeklassers in een grote stoet voorbij komen met op hun schouders de judoka die in het weekend nog op de nationale televisie te zien was. Ze heeft haar kracht getoond. 

Diezelfde middag staat het meisje dat de gettoblaster op haar schouder had bij het fietsenhok te wachten. Ze is nieuw, kwam van het Lyceum naar de VWO-klas in Breda. Als Véronique komt aanlopen, strijkt het nieuwe meisje met een hand door haar korte zwarte haar. De spikes op haar spijkerjasje glinsteren in de zon. Heel kort brengt ze haar kin omhoog bij wijze van begroeting. Eén voet tegen de schutting, de kauwgum in haar mond spant ze over haar tong die ze heel even naar buiten brengt. 

“Knap werk Akkermans”, zegt ze. 

Véronique blijft staan. 

“Ik had ook eerste kunnen worden.” 

“Ja, maar je wint ook als je verliest, wist je dat?” 

“Wat dan?” 

“Nou, je wint, of je leert. Toch?” 

Véronique staat tegenover het nieuwe meisje en zet haar voet naast die van haar tegen de schutting aan. 

“Okay, da’s waar”, glimlacht ze. Als bondscoach van de Nederlandse judoka’s zal ze die zin later nog vaak herhalen als één van haar protegees tweede wordt. “Je wint, óf je leert.” Alle jonge kinderen die ze op de mat krijgt om de filosofie van judo mee te geven, geeft ze mee dat je wint of leert en dat beide gelijk zijn aan elkaar. Judo betekent: de zachte weg. Het is de kracht van de tegenstander gebruiken om hem ten val te brengen. Die allereerste tweede plak in haar topsportcarrière zal de basis vormen voor haar wijsheid als coach.

Het nieuwe meisje zegt: “Wie weet, misschien is het zelfs wel beter om te leren dan om te winnen”, waarop ze Véronique uitdagend aankijkt en zegt: “Ik wil wel een paar dingetjes van jou leren. Je mag mij wel eens in zo’n houdgreep nemen”, zegt ze, terwijl ze Véronique strak in de ogen blijft aankijken. 

“Wil je dat?” 

“Nog voor ik je op televisie zag bij het NK wilde ik dat al…” 

Véronique voelt plots duizend vlinders in haar buik, loopt blozend het fietsenhok in, pakt haar Yamaha brommer en als ze weer naast het nieuwe meisje staat, zet ze ‘m aan. Boven het geluid uit durft ze het te roepen: 

“Vanavond carnaval vieren in Dongen?” 

Het nieuwe meisje lacht en springt gelijk achterop. 

“We can be heroes, just for one day!” 

“Weet jij dat nog zus? Dat Petra en ik al vrij snel ringen hadden uitgewisseld en dat jij ’s avonds aan tafel doodleuk zei: “Hey, van wie is die ring?”, terwijl je dat heus wel wist. 

“Haha, ja! En ma begon te vissen, die dacht dat je eindelijk een vriendje had, jij knalrood natuurlijk!” 

Véronique duwt haar zus tegen de schouder en lacht, totdat haar zus zegt: 

“En jij dan, weet jij nog dat we aan het graf van opa stonden?” 

Het valt stil. 

“Ja,” antwoordt Véronique, “dat weet ik nog heel goed.” 

“En wat er allemaal gebeurde toen hij nog leefde, op de zolderkamer waar we sliepen als we bij opa en oma logeerden, weet je dat ook nog?” 

Ze kijken elkaar aan. Lang. 

Zus slaat de arm om Véronique heen, dat doet ze van jongs af aan en ze zal het nooit niet doen. Die arm is haar bescherming. Die arm is haar veiligheid. 

Spreken doen ze niet, want ze hebben een spraakverbod. 

Diezelfde nacht ziet Véronique vanuit het donker een uitgestoken hand op haar afkomen, terwijl ze als kind achter het grote bed op de zolderkamer zit. Ze schrikt op, compleet bezweet. Als ze het licht in haar slaapkamer aandoet, raakt ze haar lichaam aan om te checken of haar lichaam er wel is. “Ik ben hier. Ik ben hier en nu”, fluistert ze. “Ik ben hier en nu. Ik ben hier en nu. Ik ben hier. En nu.” Ze blijft het herhalen, tot ze zo moe is dat ze haar kussen weer zoekt en in een rode gloed slaap valt. 

Het duurt een leven lang voor de nacht verdwijnt.


WAAROM spreek je de waarheid niet!???” 

“Ik spreek de waarheid wel.” 

“Dat doe je niet, ik geloof het niet, ik weet zéker dat je ergens anders bent geweest dan waar je zegt te zijn geweest.” 

Véronique kijkt naar haar vrouw. De krachtige, mooie, zelfverzekerde vrouw waar ze zó veel van houdt. Diep van binnen weet ze dat ze haar gelijk moet geven, maar ze weet ook dondersgoed wat daar tegenover staat: haar verliezen. Dus? Ze liegt. Ze liegt zo hard dat de deuren ervan kraken. De pijn die het teweegbrengt komt van twee kanten. 

Achter de krakende deur kijkt een oude man naar het tafereel. Hij ziet de blonde vrouw staan en wil naar haar toegaan. Hij ziet voor zich dat hij haar omdraait en haar beide handen pakt. Dat hij voor haar knielt en zijn hoofd op haar handen legt. Hij hoort zichzelf zeggen: “Spreek de waarheid Véronique, alsjeblieft, spreek de waarheid”, maar zijn stem ontbeert geluid. 

“Ik weet echt niet wat ik nog meer moet zeggen, ik hou van je, vertrouw daarop. Dat is de waarheid en de enige waarheid.” Door die woorden uit te spreken, voelt Véronique ten diepste dat zij niet liegt. 

Over de duizend vlinders die ze in haar buik voelt, spreekt ze echter niet. 

Diezelfde nacht droomt ze dat haar buik oranje is en dat er allemaal oranje vlinders uit vliegen. Alsof ze een kraamkamer is, blijven de vlinders maar komen. Ze staat in haar tuin en in het midden ziet ze plots de vrouw staan op wie ze verliefd is geraakt. Een oude vlam die haar ooit eerder liet voelen dat het leven draait om plezier maken in het moment. Ze kijkt naar haar en er is maar één zin die haar hele wezen vult: ‘IK BEN THUIS.’ 

Als ze in de vroege ochtend uit de droom ontwaakt, kijkt ze naar de vrouw van wie ze zo veel houdt en ze vraagt zich af hoe ze in die tuin van vlinders kan zijn thuisgekomen, terwijl ze dat voor haar gevoel al is bij de vrouw die zij lang geleden trouw beloofde. Nog hoort ze zichzelf zeggen, toen de ambtenaar van de burgerlijke stand vroeg: “Belooft u getrouw alle plichten te zullen vervullen, die door de Wet aan de huwelijkse staat worden verbonden? Wat is hierop uw antwoord?”: “Ja.” 

Die volmondige ‘ja’ was net zo echt als de liefde die door haar aderen stroomde en nu vraagt ze zich af waarom zij eigenlijk de ander, maar niet zichzelf trouw beloofde te zijn, want de liefde die zij wil delen is groter dan het bestaan zelf. 

Onrust in haar lichaam maakt dat haar benen licht schokken en heel zacht fluistert ze: “Ik ben hier en nu. Ik ben hier en nu, ik ben hier en nu.” Haar eeuwige mantra om in slaap te vallen en zodra de zon opkomt, valt ze uiteindelijk alsnog in slaap. Er komt een uitgestoken hand op haar af. Ze kreunt en gooit haar hoofd heen en weer. Ze wil het beeld wegduwen, maar de hand blijft maar komen, als een langspeelplaat die blijft hangen in een groef. 

Een paar uren later wordt ze opnieuw wakker, de zon staat al hoog aan de hemel en haar vrouw ligt niet meer naast haar. Ze slaat de deken van zich af en kijkt naar haar benen. Haar huid is op verschillende plekken open. De wonden zien eruit alsof zich iets van binnen naar buiten heeft gewerkt. Als ze naar de badkamer loopt, ziet ze dat ze over haar hele lichaam verspreid zijn. Ze kijkt lang in de spiegel. Ze ziet haar gezicht. Haar blonde haren. Haar blanke huid. Haar ogen. Ze kijkt naar haar armen waarmee ze in dit leven zoveel mensen in de houdgreep heeft genomen. Guaku Kesa Gatame! Ze kijkt naar haar gehavende benen waarmee ze zoveel mensen op de mat heeft geworpen. O-uchi-gari! 

Opnieuw kijkt ze in de spiegel. Ze ziet zichzelf als judoka. Ze ziet zichzelf als vrouw. Ze ziet zichzelf als zusje. Ze ziet zichzelf als dochter. Als echtgenote. Als minnares. Ze ziet zichzelf als de puber die op haar Yamaha brommer haar eerste liefde meenam naar Carnaval waar ze voor het eerst zoenden. En ze ziet zichzelf als het kleine meisje met de duim in haar mond die met grote ogen naar haar opa kijkt. Plotseling schreeuwt ze heel hard: “Ik wil dit niet meer!!! Ik wil VRIJ zijn!!!” 

Ze kijkt naar de groene velden achter haar huis waar het gras hoog staat, zacht door de wind wordt geaaid en golvend als een zee naar de horizon reikt. Ze kijkt naar haar kip die drie weken na aankoop eigenlijk een haan bleek te zijn en plotseling begon te kraaien. Misschien ben ik ook wel een man geworden, denkt ze, maar ik ben een vrouw. Dan pakt ze pen en papier, gaat aan de witte eettafel zitten en begint te schrijven: 

‘Als ik had geweten dat de waarheid ons niet uit elkaar zou drijven, dan had ik het durven vertellen, maar ik durfde niet. Ik sprak de waarheid toen ik zei dat ik oud met je wilde worden. Ik sprak de waarheid toen ik zei hoeveel ik van je houd. En ja, ook heb ik tegen je gelogen. Hoe gek het ook klinkt: juist omdat ik zoveel van je houd. Ik begrijp dat dit moeilijk te verteren is. Ik weet dat het pijn doet, geloof me: ik ken het gevoel van pijn. Terugdraaien kan ik het niet en toen ik deze ochtend uit een droom wakker werd, wist ik dat ik dat ook niet zou willen. De liefde die ik voel, wil ik niet wegstoppen. Ik wil het er alleen maar laten zijn. Lang genoeg heb ik dingen weggestopt. De wonden in mijn huid laten zien dat ik openbreek. Ik scheur letterlijk uit mijn vel. Ik kon heel goed liegen, maar nu niet meer en zeker niet tegen mijzelf! 

Ik ben Véronique, ik ben judoka, ik ben een vrouw, ik ben een zus, ik ben een dochter, ik ben een echtgenote, ik ben een minnares, ik ben een meisje, ik ben lief, ik ben sterk, ik ben krachtig en ik ben mooi. Ik ben gebroken en ik ben heel tegelijkertijd. Ik ben gevallen en weer opgestaan. Ik val en sta weer op, de eeuwige beweging van dit leven. Ik ben degene die heeft gekeken en niks heeft gezegd. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Ik heb gezien, maar gezwegen ~ en wat daar in het donker is achtergebleven, dat weet ik niet ~ het is een gitzwarte leegte. 

De dag is aangebroken dat ik mijzelf heb te vergeven voor wat ik verzuimde te doen: de waarheid spreken in het moment. De dag is aangebroken mijzelf te vergeven. En opa… och opa, jij. Jij. Vanaf het moment dat je doodging, verdween jij uit ons leven, maar je bent nooit weggeweest. Het is alsof je altijd achter de deur staat. Als een deur kraakt, dan ben ik terug in een tijd waar ik niet wil zijn, maar toch kijk ik achterom. Ik wil je voorgoed achter me laten en ik wil volledig vrij zijn. 

Als ik naar mijn zus kijk dan voel ik pure trots dat zij nog altijd staat en haar leven zo moedig leeft met alles wat zij heeft moeten doorstaan. Zij heeft mij geleerd wat onvoorwaardelijk liefhebben is, dwars door alle pijn heen. Ik heb haar en ik heb het leven lief. Als er iets is dat ik haar wil geven, dan is het die onvoorwaardelijke liefde. 

Het is tijd mijn hart te volgen. Het is tijd mijn hart te openen voor alles wat het leven te bieden heeft. Vandaag trek ik mijn pak uit. Ik laat het trouwkleed van mij af vallen en neem afscheid van het bestaan zoals ik dat tot nu toe heb geleid. Ik wil vrij zijn. Ik mag vrij zijn. Ik ben vrij.’ 

Ze legt de pen neer op het blad, trekt haar schoenen uit, schuift de glazen pui open en loopt de groene velden in. Langzaam begint ze te rennen. Ze rent door de velden en spreidt haar armen. In de verte hoort ze een koor zingen. “Imamiah, Imamiah-aaaaaahhh, ooooooohhh, Imamiah, Imamiah, aaaaaaahhh!” De lach op haar gezicht is breed en ze laat zich na een lange run in het golvende gras vallen en het is of de hemel met haar als een blauwe gloed over haar heen valt. Zacht zingt ze mee met de klanken die ze in de diepe verte hoort: “Imamiah, Imamiah-aaaaaahhh, ooooooohhh, Imamiah, Imamiah-aaaaaaahhh!” Het is lang geleden dat ze zong, misschien heeft ze dat wel alleen als heel klein meisje gedaan. Ze legt haar handen op haar buik en sluit haar ogen. Plots ziet ze de uitgestoken hand op haar afkomen. Ze schrikt, maar dan hoort ze de stem van een klein meisje: “Jij bent mij vergeten.” Met haar ogen gesloten kijkt ze naar het meisje en ze ziet zichzelf. Het kind herhaalt: “Jij bent mij vergeten.” 

Véronique huilt, ze huilt met lange, diepe halen. 

“Ja, dat klopt. Ik ben jou vergeten”, en ze pakt de uitgestoken hand van het blonde kind vast. Ze komt omhoog en loopt hand en hand met het meisje door haar kindertijd. Ze ziet zichzelf puber worden, ze ziet zichzelf vrouw worden en door haar relaties lopen en dan is het meisje ineens even groot als zij. Ze verdwijnt in Véronique die liggend in het gras fluistert: 

“Ik ben.” 

Haar lichaam begint te schudden en ze herhaalt: 

“Ik ben.” 

“Ik ben.” 

Als smeltwater van liefde stromen de tranen over haar wangen de aarde in en ze herhaalt: 

“Ik ben.” 

Boven haar vliegt een blauwe kiekendief. Ze wrijft in haar ogen en kijkt naar het dier dat in een stille vlucht haar leven vanuit grote hoogtes bekijkt. De lucht lijkt violet te kleuren en Véronique ziet zichzelf liggen in het hoge golvende gras tussen bijen en vlinders. In de verte kraait een haan. Zacht zegt ze: “Ik onthoud de vlinder.” Ze heeft geen idee waar die zin vandaan komt, maar ze zegt nog een keer: “Okay, ik onthoud die vlinder, dat beloof ik”, omdat ze diep van binnen voelt dat er een nieuw leven begint. 

‘We can be heroes, for ever and ever.’ 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll naar top