Wervelstorm

As die wind kom, verander die lewe. 

Die oomblik wanneer die bome roer, wanneer die druiwebosse gaan rol, sal jy in jou bloed voel dat die verandering kom. Niemand sal bly staan ​​nie. Hulle breek soos die takke van die boom af. Hulle sal plat op die grond lê, hulle sal hul koppe met hulle hande bedek, bang dat hulle hoede met die wind sal wegwaai. Die blommerokke sal opblaas en die enigste beskerming wat hulle kan vind, is die beskerming van hul eie harte, maar hulle weet dit nie.

Jy doen. Jy weet. Jy weet dit soos geen ander. Daarom sal jy staande bly. Jy sal kyk na die toneel waar almal naak raak. Jy sal kyk hoe die vroue hardloop na hulle hoede in die weiland. Jy sal kyk na die make-up op die gesigte van die vroue, die make-up wat hulle afvee, kruip op die aarde. Dit is die aarde wat hulle nuwe grimering sal word, tot hulle groot afgryse. Die aarde sal hulle gesigte bedek totdat hulle hulle asem vind en daarmee saam die weg na hulle harte. 

Maar die meeste sal nie hul asem vind nie en dus ook nie die pad na hulle hart nie. Hulle sal sterf in die geweld van die natuur. Die krag van die natuur kan hulle maak of breek. Hulle sal breek. En jy bly staan. Jy sal dink dat jy vir die woede moet wegsteek, vir die vernietigende krag van die natuur, maar dit is jou opdrag: verbind met daardie krag om te voel dat dit ook in jou is. Jy hoef nie daarvoor bang te wees nie. Die krag van Moeder Aarde is die krag van elke vrou. Nou is jy ’n meisie, maar jy kry ’n pragtige, wyse vrou. 

Jy keer terug na die platteland in die Noorde, waar jy gebore is. Jy gaan terug na die land waar daar geen onderdrukking is nie, maar jy het dit hier gevoel en so vat jy dit saam met jou. Onthou dat jy ’n vrye siel is. Jy sal vind dat jou pad roei op die water. Op oogvlak met die riete, roei onder die weide voëls, hare in die wind. Jy sal vrede op die water vind, maar die storm in jou sal bly woed vir ’n lang tyd tot dan. Vertrou op die lewe, vertrou wat oor jou pad kom. Elke ontmoeting is een wat jou verder sal neem. 

Waar jy haat voel, sal jy groei. Eerstens sal jy dit aan die verkeerde persoon rig. Onthou dat in hierdie lewe niks is wat dit lyk nie. As jy dink hy hou jou weg van die lewe, dit kan anders wees. Hy bring die lewe in jou. Sy saad sal die kleurvolle blomme in jou lewe gee, wat die spieël van jou eie siel is. Maar die ewige storm wat in jou woed, sal jou blind maak vir die skoonheid. Die skoonheid wat jy is en wat jy geproduseer het. Jy is ’n kragvrou, vergeet dit nie. Nou is jy ’n ander meisie, maar die wortels van jou boom gaan diep in die aarde en voed met die krag van die aarde sedert jou geboorte. Jy dra daardie krag en verloor jou nooit. So gaan meisie, sonder vrees en met jou bors vorentoe. Vier die lewe. Vier jou kinders. Vier jou man en liefde. En vergeet nooit dat jy nie vir niks hier was nie. 


Het blonde meisje kijkt naar de vrouw die voor een aftandse hut zit. Haar ogen zijn bedekt met een grijsachtige waas. Metta kan haar daardoor niet echt goed zien, het is alsof de oude vrouw achter een schutting van mist staat ~ en toch is ze heel aanwezig. Altijd als Metta met Torka langs de hutten van de townhips wandelt, ziet ze de vrouw aan de rand van de wijk zitten op een grote steen, leunend met haar kin op haar handen die op hun beurt weer leunen op de houten wandelstok die tussen haar knieën in het zand staat. Een soort levend standbeeld. 

Toen Metta pas net in de Kaap kwam wonen, zat de oude vrouw er al. In het begin mocht ze van haar moeder absoluut niet alleen op pad. “Ik wil niet dat je verkracht wordt Met.” Ze was negen jaar oud en begreep het woord verkrachting niet, maar ze voelde wel de energie die met het woord gepaard ging. Haar moeder, een gepassioneerde vrouw, verkoos begin jaren ’70 samen met haar partner het Afrikaanse land boven Nederland. In elke kerk op de wereld hadden ze hun schuilplek kunnen vinden, maar het werd een houten kerk in Durbanville, in de West-Kaap. Weg van de hippies, weg van Sodom en Gomorra, weg van de drugs en vrije liefde. Hier in Zuid-Afrika zouden ze thuiskomen, dachten ze. 

Na zoveel jaren durfde Metta dichterbij de townships te komen en wandelde over de rode aarde naar de oude vrouw toe. Het eerste wat die deed was haar hand uitsteken naar de grote herdershond. Metta schrok daarvan, want Torka was haar ultieme beschermer; één stap te dichtbij en de herder zou direct zijn tanden laten zien. Nu bleef hij echter stil. Sterker, hij liet zich gewillig aaien door de oude vrouw. Zijn grom was eerder als die van een snorrende kat, dan als die van een alerte krijger. Hij boog zelfs z’n kop een beetje, voordat hij op z’n gemakje ging zitten. Met dat de hond zich liet zakken, volgde Metta zijn voorbeeld. Ze waren een twee-eenheid. Ze knielde voor de oude vrouw met de doffe ogen, die het zittende publiek als een teken opvatte om een woordenvloed over Metta heen te laten komen. Het meisje ontving de taal als een warme douche, hoewel ze een groot deel van wat de vrouw zei eigenlijk niet echt begreep. Ze had het over een man en kinderen gehad en daarmee was het alsof de vrouw over iemand anders sprak. 

Wel herkende het dertienjarige meisje het beeld van de vrouwen in de gebloemde jurken, de sjieke hoedjes op hun hoofd en hun gestifte lippen. Die zag zij elke zondag in de kerk. Liep zij ’s ochtends vroeg dromend tussen de druivenstruiken in de warme vallei, dan werd ze geroepen door haar vader: “Metta, kom, we gaan naar de kerk!” 

Metta vertaalde die zin. Ze hoorde dan innerlijk: “Metta, kom, ons gaan kerk toe!” 

Het was niet de kerk die haar thuisbracht, maar de Afrikaanse taal. Als haar ouders iets zeiden, vertaalde haar geest het volautomatisch. Daarmee verzachtte als vanzelf elke inhoud van een boodschap.  

Nog meer dan de bloemetjesjurken, kon ze de afgemeten gezichten van de vrouwen in de kerk wel uitkotsen. De gestifte lippen, de glimlach die haar geschonken werd, waarvan zij voelde dat die slechts op hun gezichten verscheen als een plakplaatje. De hoedjes die de dames droegen, maakten de karikatuur compleet. Met strakke bekjes zongen ze de liederen mee met de voorganger. Terwijl Metta zong: “Like rain that waters the Earth, like sunlight that plants the greenery, like shade that refreshes, O God, renew the dry ground”, zag ze voor zich dat zij door het middenpad rende en aan beide kanten met vlakke hand de hoedjes van de hoofden af petste. In gedachten zag ze de verontwaardiging van de vrouwen. En dan zou er een windvlaag door de kerk gaan die alle nette bloemetjesjurken omhoog zou laten waaien. Vrouwen geschokt, voorganger compleet in verwarring. Metta wist dondersgoed dat onder die jurken de waarheid verborgen lag. 

Ze miste de zachtheid van haar eigen liedjes die ze vroeger voor God zong, toen ze nog in het Friese land woonde met haar ouders en haar broers. Daar bezong zij het Universum, het Licht, Allah, de 99 namen, kortom; Liefde. Het waren kleine lieve liedjes die zomaar vanuit haar hart ontstonden, daar hoefde ze geen bloemetjesjurk voor aan te trekken of een hoedje voor op te zetten. 

‘As die wind kom, verander die lewe. Die oomblik wanneer die bome roer, wanneer die druiwebosse gaan rol, sal jy in jou bloed voel dat die verandering kom.’ 

Verder van Friesland kan ze niet zijn, maar het is de Afrikaanse taal die het Friese land toch weer voelbaar dichterbij brengt. Plotseling voelt Metta diep in haar buik dat zij naar huis zal gaan, terug naar haar roots. Haar bloed begint sneller te stromen. Ze kijkt naar de oude vrouw met de mist in haar ogen die de ophanden zijnde verandering heeft aangekondigd. Metta’s hart springt op, Torka blaft kort en staat ineens weer alert op vier poten. De vrouw glimlacht, haalt een hand van haar stok en met een vuist in de lucht roept ze: “Jy weet nou! Jy het dit gesien! Dit sal gebeur!” Torka begint harder te blaffen en draait rondjes om zijn as. Metta weet niet goed wat ze moet doen en legt haar hand op de knie van de oude vrouw, bij wijze van afscheidsgroet. De vrouw heft haar kin en het lijkt alsof ze naar de blauwe wolkenloze lucht kijkt waarin nog geen storm te bekennen is, maar in wezen staart ze naar Metta en ze fluistert: 

“Jy doen. Jy weet. Jy weet dit soos geen ander nie. Moenie bang wees nie. Die lewe is goed vir jou. Op watter manier ook, jy gaan op, dit is goed. Ek het jou gesien. Alle beurte het jy saam met jou hond geloop en ek het jou gesien. Moenie bang wees vir die lewe nie. Afrika sal jou huis toe bring, omdat jy gesien het wat nie regtig hier is nie. Dit sal ’n rukkie vat voordat jy jou regte huis kry, maar dan sal jy hierdie dag onthou. Dit gaan jou goed meisie van die Kaasland. Jou pa en ma het goed gedoen en jy is lief. Ons sien mekaar in die reënland. Vaarwel.” 


‘Hoe ben ik hier in gódsnaam terecht gekomen?’

Metta kijkt naar de overkant van de eettafel die zij net gedekt heeft, waar dampende borden vol eten staan. Achter die damp zit de man waarvan zij weet dat hij haar zielspartner is. Ze draagt zijn gouden ring. De kinderen die zij baarde, ontstonden uit zijn zaad. Hij eet. De kinderen eten. Straks zal zij de tafel weer opruimen. Ze denkt na over wat ze morgen zullen eten, wanneer ze boodschappen zal doen, of iedereen de was in de mand heeft gedaan, of de stofzuiger nog boven staat of al beneden, wanneer zij de ramen zal lappen – morgenvroeg voordat ze naar haar werk gaat, of als ze thuiskomt? 

Ze houdt haar hand op haar middenrif, alsof ze daar iets terugduwt naar binnen. Op haar voorhoofd ontstaan druppeltjes zweet. Ze vraagt zich af of iemand het ziet. Ze vraagt zich af of iemand haar überhaupt ziet. Haar wangen kleuren rood, ze voelt de hitte ervan en prakt een aardappel fijn op haar bord. Ze neemt een slok van het water dat voor haar staat en kijkt een voor een naar haar gezinsleden. “HALLOOOOOOOOOOOOOO!!!!! HIER BEN IK!!!!! HALLOOOOOOOO!!! HIER! HIER! HIER BEN IK!!!” 

Het is muisstil aan tafel, afgezien van prikkende vorken en licht gesmak. 

“HALLOOOOOOOOOOOOOO!!!!! HIER BEN IK!!!!! HALLOOOOOOOO!!! HIER! HIER! HIER BEN IK!!!”

De zweetdruppels vinden hun weg langs haar wangen, via haar kaaklijn glijden ze haar hals in. De hals die ooit passievol gekust werd. Haar ogen liggen diep in haar oogkassen die zich prikkend vullen met water. Haar adem stokt. Ze slikt. Haar harde roep was intern. Ze heeft niks gezegd en ze zal niks zeggen. Dat weet ze ook dondersgoed. Zij is de stilte. Zij is liefdevolle vriendelijkheid. Zij is vrede. 

Langzaam schuift ze haar stoel naar achteren, het piepende geluid wordt opgemerkt door haar man die slechts even opkijkt en dan weer een hap naar zijn mond brengt. 

‘Het maakt niet uit of ik hier ben, of niet’, denkt ze en ze zet haar bord op het aanrecht in de keuken. Haar zoon kijkt nog even op, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Met haar gezicht naar haar gezin toe loopt Metta behoedzaam achterwaarts de kamer uit, met ergens een stille hoop dat iemand vraagt wat ze gaat doen, waar ze naartoe gaat, of misschien zelfs om haar te bedanken voor het eten dat ze deze avond heeft gekookt. Het blijft stil. Achter zich pakt ze de deurklink van de woonkamerdeur vast, opent hem, ziet nog in een ogenblik de gordijnrails waar geen gordijn aan hangt, omdat haar man dat zou doen, maar haar man zou nog zoveel doen en dat gebeurt maar niet… Ze opent de deur, kijkt naar de rug van haar dochter, naar haar twee zoons, haar man en vertrekt. 

Buiten slaat de kou haar op de keel en ze trekt de kraag van haar jas omhoog. Ze loopt het dorp uit en boven de weilanden begroet Orion haar, de dappere jager die tegen een stier vecht. Ze voelt een diepe verbinding met het sterrenbeeld. Het doet haar aan Torka denken. Ze loopt door tot het volgende dorp. De maan beschijnt de witte ophaalbrug die zomers nog met de hand wordt bediend door een blinde brugwachter. Hij krijgt een seintje zodra een zeil- of kajuitboot ligt te wachten. Mensen uit de omgeving kennen zijn trage pas met zijn stok tikkend voor ‘m uit. Het bootjesvolk lijkt, ondanks dat ze vakantie vieren, vaak minder geduldig dan je zou verwachten. Het is of Tseard dat feilloos aanvoelt, want hij laat de slagbomen die dezelfde kleuren als zijn blindenstok hebben naar beneden komen, pakt daarna de hendel van het ijzeren wiel, waarmee de katrol in werking wordt gezet, vast met een theatrale zwaai van zijn arm en begint dan te draaien. Langzaam. Stadich, zoals ze het in Fryslân zeggen. 

Voor de brug wandelt ze naar beneden langs het water en stapt op de kade waar haar kano ligt. Ze kijkt naar de woningen langs het water, waar ze hetzelfde tafereel ziet als bij haar thuis. Ze draait zich naar het water en gaat door haar knieën om de kano zacht te water te laten. Als ze erin gaat zitten met de peddel, verstoort het kloenkende geluid van kano tegen kade kort de avondstilte, maar er zal niemand zijn die van een dampend bord opkijkt. Ze is alleen. Ze vaart onder de witte ophaalbrug door en vindt haar weg in het donker tussen de rietkragen. Zacht zingt ze: ‘We are wanderers, we are wanderers, we are all coming home soon.’ 

De waterdichte tas die ze meenam ligt aan haar voeten en ze peddelt net zolang tot haar armen niet meer kunnen en de kou vanuit haar billen is opgetrokken. Dan meert ze af aan een weiland, stapt de kano uit, trekt hem op de wal, zet in het donker haar tent op en legt daarin de mummieslaapzak. Als ze een blik op de sterrenhemel werpt, hoort ze de stem van haar moeder: “Ik wil niet dat je verkracht wordt Met.” Ze glimlacht. Haar hele leven heeft ze die stem gehoord als ze ergens haar tentje in the middle of nowhere neerzette. Een diepgewortelde angst waarvan nooit bewezen werd dat die op dat specifieke moment gegrond was, gelukkig maar. Natuurlijk, gelukkig! Maar toch sleept zij die angst onnodig mee in haar systeem en moet ze altijd het vertrouwen van de sterren en haar hart krijgen dat zij veilig is op deze plek onder dat gigantische hemelgewelf. 

 De nacht is koud, maar het is juist de kou die haar laat voelen dat ze leeft. Het is de kou die haar lichaam voedt. Als een kievit haar ’s ochtends wakker maakt, snuit ze eerst haar neus. Ze stapt haar tent uit en met blote voeten op de Friese bodem rekt ze zich uit. Metta loopt naar het water en laat zich erin zakken. De kou omringt haar en ze ademt diep. Dan schreeuwt ze heel hard: “HALLOOOOOOOOOOOOOO!!!!! HIER BEN IK!!!!!” Op het land stampt ze zichzelf warm en ze ziet voor zich hoe ze als klein meisje stampvoetend door de kamer liep als ze het gevoel had dat iets niet rechtvaardig was. ‘Waarom houd ik nu altijd mijn mond?’, vraagt ze zichzelf. ‘Waarom blijf ik stil? Waarom zet ik een vriendelijke glimlach op, terwijl het in mij kookt?’ 

Ze trekt haar dikke kleren weer aan en als ze uit haar kruik warme thee heeft gedronken, een paar dadels heeft gegeten, duwt ze haar kano weer het water op en verlaat de plek waar ze de nacht doorbracht. Het ochtendgloren maakt het riet wakker dat dezelfde kleur als haar haren heeft. De zon is fel, beschijnt haar broze, vriendelijke gezicht en maken van haar haren een gouden gloed. Het geluid van de peddel in het water, dan links, dan rechts, kalmeert haar ziel. De waterwegen brengen haar op plekken waar zij zich alleen op de wereld waant en dat is precies de plek waar zij wil zijn. Weg van de constante planning, weg van de constante drukte, weg van de constante prikkels. Terwijl ze roeit komt er een beeld uit het verleden terug van een oude blinde vrouw die haar een voorspelling deed. Die bijzondere Afrikaanse oude vrouw met haar wandelstok. Ze kreeg gelijk. 


“Metta, kom, ons gaan kerk toe!” 

Ze weet wat haar te doen staat als haar ouders haar uit de druivenvelden roepen: jurk aan, hoedje op en zonder mokken meegaan. Licht jaloers kijkt ze naar haar broers die geen jurkje aan hoeven. Ze lopen op het witte houten kerkje af dat volstroomt met bloemetjesjurken, hoedjes en gestifte lippen. Zodra ze zitten gaan de oude kerkdeuren piepend en krakend dicht. Bij het gezang sluit Metta haar ogen en laat ze zich op de muziek meevoeren naar andere plekken op de aarde. Haar geest is altijd genoeg aanwezig om precies op het juiste moment het liedboek om te slaan. En dan begint plots het gesuis. Eerst kijkt ze om zich heen of iemand anders het ook opmerkt, maar alle kerkelingen zingen uit volle borst mee en lijken het opkomende geruis van de wind niet te horen. Dan port ze met haar elleboog haar oudste broer om contact te maken, maar die schudt zijn hoofd en doet net alsof hij wel heel goed meezingt. Het gezang verstilt en de dominee spreekt: 

Laat my nooit U grond verlaat nie
Laat my in U skadu bly
Gee dat elke aardse vreugde en vrees
eintlik nietig word vir my.

Elke afdraaipaadjie ken ek
elke keer het ek gedwaal
elke keer het U my iewers kom haal
Maak dit Heer die laaste maal

Elke dag is ’n gedagte
Elke kamer net gehuur
Elke aardse droom van rykdom en
roem net ’n skadu teen die muur.

Wat ek is is net genade
Wat ek het is net geleen
Eindelik smag ek na u waters van rus
lei my Heer vanaand daarheen.

De luiken van de kerk beginnen te klapperen en pas nu kijkt de dominee op van de Bijbel. Op het moment dat hij dat doet, ziet Metta ineens geen hoedranden en achterkanten van hoofden meer, maar alleen nog bovenkanten van hoeden. Iedereen kijkt omhoog, alsof het daar vandaan komt, maar het gesuis van de wind gaat in een draaiende beweging om de kerk heen en wordt sterker en sterker. Metta ziet de oude vrouw met de mist in haar ogen voor zich. “Jy sal staande bly”, en het meisje voelt een innerlijke kracht die ze nooit eerder ervoer. De wind die ondertussen tegen de kerkdeuren beukt en alle kerkelingen onrustig maakt, roept haar naam. ‘Mettaaaaaaaaahhhh, Mettaaaaaaaaahhhh!’ 

Alsof zij niet zichzelf in beweging brengt, maar wordt bewogen, staat Metta op van de houten kerkbank. Haar broers kijken naar haar en fronsen. Meisjes in bloemetjesjurken horen niet uit zichzelf op te staan. Haar vader reikt nog zijn hand naar haar uit en maant haar te gaan zitten, maar haar moeder kijkt haar diep in de ogen en in een kort moment van herkenning ZIEN zij elkaar. Metta ziet haar moeder, die prachtige gepassioneerde vrouw die, sinds ze in Zuid-Afrika woont, ook een hoedje draagt en zich in een jurk heeft gewurmd die haar nog verder van huis heeft gebracht dan ze ooit is geweest. 

Met haar beide handen pakt Metta de zoom van haar eigen jurk vast en trekt eraan, zo hard dat de stof direct scheurt. Haar moeder krijgt tranen in haar ogen, maar doet niets. Ze ziet haar dochter en ze voelt de oerkracht van het meisje. Die kracht is haar niet onbekend, diept iets uit een ver verleden op. 

Met de scheur in haar jurk loopt Metta naar de grote houten kerkdeuren, pakt de gietijzeren platte stang die de deuren bij elkaar houdt en duwt die van onderen omhoog. De stang is nog geen halve centimeter boven de houder of de deuren zwiepen met grote kracht open. De wind raast naar binnen, alsof die jarenlang heeft gewacht op dit moment. Metta draait zich rustig om en blijft in de deuropening staan, terwijl ze àlle hoedjes in één ogenblik van de gekapte dameshoofden af ziet waaien. Daarop volgt een gegil en geschreeuw. Iedereen probeert op te staan uit de kerkbanken, maar met dat de mensen gaan staan worden ze omver geduwd door de vernietigende kracht van de wind. De ramen van het kerkje worden uit hun sponningen gezogen en de kerk van hout begint heen en weer te schudden. De Afrikaanse aarde waait door het gebouwtje heen en dan volgt er een bliksem, een donder en klapt er een tsunamische regenvloed uit de hemel. Het dak waait van de kerk af, overal rennen en struikelen mensen, de vrouwen kruipen met hun uitgeveegde rode lippenstift op hun geschrokken gezichten over de aarde, hun rokken zwiepen alle kanten op en Metta ziet de witte benen van de vrouwen, de grote onderbroeken die zij dragen en ze denkt: 

‘Had maar gedanst vrouw. Had jezelf maar laten zien! Had je uitgesproken, in plaats van je monddood te laten maken.’ 

Ze kijkt naar haar eigen benen en ziet dat ze stevig op de grond staat, haar voeten met wortels tot diep in de aarde. In een van de overgebleven kerkbanken zit nog altijd haar moeder. Met een verstilde glimlach kijkt zij naar haar dochter. Het is alsof zij samen als toeschouwer in deze film van natuurgeweld zijn beland, alsof ze in een andere tijdlaag zitten waar de wervelstorm geen rol speelt. 

Mannen die net nog in keurige kledij en met gepoetste snorren de kerk betraden houden zich nu jammerend vast aan de kerkbanken, bang voor de toorn. Hun dédain is plots vervangen door windvlagen van pure angst. In paniek kijken ze om zich heen omdat ze niet begrijpen wat er gebeurt. Zongen ze vorige week nog “Like rain that waters the Earth, like sunlight that plants the greenery, like shade that refreshes, O God, renew the dry ground”, zijn ze God nu volledig kwijt en zijn ze vergeten dat zij het zelf vroegen de droge aarde te vernieuwen. 

Metta staart naar het tafereel en voelt in haar onderbuik een diepe vreugde. Ze weet dat de nieuwe tijd aanbreekt. De tijd dat zij naar huis zal gaan. 

Fryslân wacht op haar. 


In de ochtendzon vaart Metta terug naar het dorp waar ze tot haar verbazing Tseard op de ophaalbrug ziet staan. Die is er normaal alleen maar zomers. Wanneer ze dichterbij komt, mindert ze vaart door haar peddels om beurten diep in het water te steken. 

“Wie it net wat kâld om te kanoën famke?” 

Tseard noemt haar altijd famke. Hij is niet blind voor haar eeuwige jeugd. 

“De donkerte fan ‘e nacht hat my warm hâlde”, zegt Metta met haar zachte stem. 

“Ah, de stjerren hawwe oer dy waakt, sjoch ik wol”, zegt Tseard. “Kom, ik helpje dy.”  

Ze peddelt onder de brug door en daar staat de blinde brugwachter al, die voor het eigen volk altijd net even een pasje sneller doet. Hij helpt haar de kano uit en pakt als een ziende de punt van de kano om hem uit het water te hijsen. 

“Hoe is’t mei dy faam?” 

Metta staat tegenover de brugwachter. Ze kan zichzelf niet zien in zijn ogen, de weerspiegeling mist. Als hij zou kunnen zien, dan zag hij zichzelf in haar ogen. Wat had hij dan gezien? Zonder haar antwoord af te wachten pakt hij haar hand en leidt haar naar de kade waaraan hij woont, in het vierde huisje vanaf de straat. 

“Kom, wy dogge in bakje.” 

Het is alsof zijn ogen hem nooit in de steek hebben gelaten, zo wandelt hij zijn woning in, hangt zijn jas op in de gang, opent de deur naar de woonkamer, wijst met zijn rechterhand naar de lederen draaistoel die voor het raam staat, loopt linksom tussen de doffe eikenhouten eettafel en de glimmende wortelhouten kast die vol serviesgoed staat naar zijn keukentje en roept: 

“Momintsje hear!” 

Ze laat zich zakken in de stoel die nog kouder aanvoelt dan de bodem van de kano. Tseard komt terug met een dienblaadje dat aan drie touwtjes hangt. Waar de touwtjes bij elkaar komen zit een ring en daar heeft hij zijn wijsvinger doorheen gestoken. Hij draagt de kopjes koffie die zachtjes heen en weer schommelen, waar geen druppel overheen valt. Als een danser manoeuvreert hij tussen zijn meubilair door. De eeuwige rustige glimlach op zijn gezicht vol rimpels, de grijze krullende lokken die over zijn wenkbrauwen vallen, de handen vol ouderdomsvlekken, ze maken hem nog mooier dan hij is.

“Hasto der wat yn? Sûker, molke?” 

“Nee hear”, antwoordt Metta. 

“Sjoch, ik praat mar gewoan fry út, ik wol dy al sa lang wat sizze… Altyd as ik dy sjoch, dan tink ik ‘Famke famke, lit dysels dochs ris sjen!’ Do bist as in ysfûgel, as in magyske blauwe streep flynsto hast ûnsichtber foarby. Allinich minsken dy’t echt oplette sille dy sjen.” 

Het is bizar dat de woordenstroom van de blinde man doet lijken alsof hij ziet, maar niets is minder waar. Metta heeft hem eens gevraagd of hij ooit in zijn leven heeft gezien, maar hij kwam vanuit de donkerte van de baarmoeder naar de aarde en het bleef donker na zijn geboorte. Toch begint hij nagenoeg elke zin met ‘Kijk’. Metta is blij dat de warme gloed die haar wangen rood kleurt door hem ongezien blijft. 

“Do hoechst gjin kleur te krije famke. It iennige watsto dwaan moast is: gean stean. Krekt sa asto yn Súd-Afrika stie wilens die stoarm.” 

Metta haar hart stopt een moment met kloppen. Heel even, maar het is voelbaar. Wat weet deze bruggenwachter van haar? Het leer van de stoel waarin ze zit, is warm geworden en haar eigen ruggenwarmte is als een kachel voor haar lichaam. Vanachter het venster kijkt ze langs een hoge cactus naar de vaart die zij zo vaak bevaart. Dan kijkt ze terug naar Tseard die net een slok van zijn koffie heeft genomen, zijn kopje als een ziende terug op de tafel zet en met de matte grijze ogen omhoogkijkt. 

“Mei ik prate?”, vraagt hij. 

Even is ze stil, omdat ze heel diep van binnen angst ervaart, maar is een dieper weten waarin zij veilig is. Het duurt echter een paar stiltemomenten voordat zij zich overgeeft aan de blinde man. 

“Ja, dat mei.” 

“Sjoch, as de wyn komt, feroaret it libben. Do silst yn dyn bloed fiele dat de feroaring komt. De beammen sille rûsen, dyn blonde hier sil om dyn gesicht hinne fleane. Dyn man sil dy oansjen en de oerfrou ontdekke mei wa hy ea troude. Hy sil dy sjen as de ysfûgel dysto bist. Hy sil tagelyk dyn krêft fiele. Hy sil dyn hert, dyn búk en dyn benen earje. Dyn benen hawwe dy hjir brocht Metta, allinne hasto se noch nea sjen litte oan ‘e wrâld. Fiel de krêft dy’t deryn sit, de ferbynning mei de ierde. Dyn hert hat dy op it Fryske wetter brocht om stiltme te ûntfangen en wer kontakt te meitsjen my dyn siel. Yn Súd-Afrika hasto sjoen wat ôfskieding is. Yn ‘e Westkaap hasto sjoen wat ûnderdrukking docht. Troch wasto dêr belibje hast, is der in pantser om dyn hert terjochte kommen, mar famke… dat pantser hâld de leafde dy’t dy sa takomt fan dy ôf. Dat pantser hast net mear nedich. Elke kear datsto net sjoen wurdt as frou, as mem, as leafste, helje dat dyn tiid yn ‘e Westkaap wer werom en dan fielsto djip fan binnen dy tornado. Do bist bang foar de lilkens dy’t yn dy libbet, mar sjoch it allinne as de krêft fan ‘e natuer. Dy libbet yn dy. Sûnder dy krêft gjin feroaring. It wie ommers dyn opdracht: ‘Ferbyn mei dy krêft fan ‘e natuer en fiel dat dit dyn eigen krêft is! De krêft fan ‘e ierde is de krêft fan eltse frou.’ Do wiest noch mar in lyts famke doe’sto dizze opdracht krige, mar no bisto in prachtige, wize frou. In oerfrou dy’t trye bern op ‘e wrâld brocht hat. Do soarchst. Do bist der altyd. Do bist Mem mei in grutte, grutte haadletter. Earje dysels Metta. Iepen dyn hert foar dysels. Earje it libben en iepen dyn hert foar it libben. Do hoechst net fuort te rinnen, do bist presies op it goeie plak. Earje dysels ek de ysfûgel dysto bist. Dizze fûgel is dyn spegel Metta. Leau my: dêr kinst allinne mar nei glimkje asto dy sjochst.” 

De brugwachter pakt haar beide handen, legt ze op elkaar, brengt ze langzaam naar zijn mond en kust de rug van haar rechterhand. Opnieuw die gloed op haar wangen. Ze wil iets zeggen, maar er komt geen geluid. 

“Sis mar neat en gean nei hûs ta. Nei dyn man, dyn bern, dyn libben. It is hjir en no, flechtsje hat gjin sin. Gean famke, gean.” 

Als ze vanaf de witte ophaalbrug terugloopt naar het dorp waar ze woont, steekt de wind op. Haar bloed begint sneller te stromen. Haar blonde haren waaien om haar gezicht en de bomen beginnen te ruisen… Ze krijgt precies hetzelfde gevoel als toen ze een meisje van dertien jaar was en de oude Afrikaanse vrouw haar de voorspelling deed. Ook die was uitgekomen en ze voelt dat hetzelfde nu weer te gebeuren staat. De wind kondigt verandering aan. Dat zij nu toch twee keer in haar leven door iemand die niet kan zien, is gezien… Ze begint harder te lopen en de laatste 500 meter rent ze. Ze voelt de kracht van haar benen. Ze voelt dat haar adem sneller gaat en op haar gezicht verschijnt een grote lach. Naar huis! Ze wil naar huis! Naar haar gezin, haar kinderen, haar man. Als ze bij de voordeur staat, wacht ze tot haar adem is bedaard en dan loopt ze naar binnen, hangt haar jas aan de kapstok en opent de woonkamerdeur. Alsof er niks is gebeurd, zitten daar haar vier liefsten aan tafel, nu aan het ontbijt. Toen ze achteruit de kamer verliet keek niemand op, nu kijken ze allevier tegelijk op en haar dochter roept: “Mam! Waar was je?” Metta glimlacht. 

“Het gaat er niet om waar ik was, het gaat erom dat ik er nu ben.” 

Ze kijkt naar haar man terwijl ze haar dochter omhelst. Haar jongste zoon staat op, pakt z’n mobiele telefoon, legt in het voorbijgaan even een hand op haar schouder en vertrekt zonder verder iets te zeggen naar zijn kamer. Haar oudste zoon loopt naar de keuken om iets te drinken te pakken. Het is of er niks is gebeurd en tegelijkertijd is alles gebeurd. 

Ze knuffelt haar dochter, laat haar los, pakt de hand van haar man en neemt hem door de achterdeur mee naar buiten, loopt tot ver in de achtertuin, waar ze beschut tussen hoge bomen en lage struiken. Daar zet ze hem neer op de grote kei die ze ooit meenamen van een reis. Overal in de tuin liggen als bakens van vertrouwen stenen van gemaakte reizen. Hij opent zijn mond om iets te zeggen, maar ze legt haar wijsvinger op zijn lippen. 

“Sjjjjj. Stil. Ik wil je iets vragen.” 

Ze gaat op haar knieën voor hem zitten. 

“Sluit je ogen”, fluistert ze. 

Hij doet wat ze zegt. 

“Zie mij”, zegt ze. 

Hij opent zijn ogen weer. 

“Nee, nee, nee… sluit je ogen.” 

Hij sluit zijn ogen opnieuw en zij zegt: 

“Zie mij.”  

Tijdens de lange stilte zakt ze in haar bekken en voelt ze de adem diep in haar buik. In haar benen ebt de spurt die ze net naar huis trok nog na. Dan vraagt ze: 

“Zie je mij?” 

Ze pakt zijn handen en legt die op haar gezicht. 

“Voel mij.” 

Zachtjes gaat hij met zijn vingertoppen over haar wangen, haar wenkbrauwen, haar neus, haar mond.” 

“Zie mij.” 

Hij trekt een paar keer met zijn mond, en dan beginnen zijn oogleden te knipperen, terwijl hij haar heel zacht blijft aaien. Door zijn gesloten ogen komen tranen naar buiten, ze stromen over zijn wangen. De hoge bomen in de tuin vangen de wind en het ruisen wordt steeds sterker. 

“Ik ben een oervrouw. Ik ben jouw geliefde. Ik ben de moeder van onze kinderen. Ik ben een oermoeder. Mijn instinct is dat ik zorg voor de mensen om mij heen, voor de mensen die ik liefheb. Ik heb jou lief liefste en tegelijkertijd voel ik een diepgewortelde woede. Ik dacht dat ik jou haatte, omdat je mij niet lijkt te zien, maar ik weet niet eens of dat wel de waarheid is. Je geeft mij alle ruimte om in mijn kano te stappen en alleen te zijn, omdat je weet dat dat het meest voedzame ingrediënt is van mijn leven. Ik heb tijd alleen nodig, om op te laden, om mijzelf te voelen, om me met de natuur te verbinden, ik heb ruimte om mij heen nodig om ruimte in mijzelf te creëren, om terug in balans te komen. Ja, doordat jij mij die ruimte gunt, voel ik dat je mij ziet, daar heb je jouw ogen niet voor nodig. Deze ochtend besefte ik dat er maar één is geweest die echt blind is. Dat ben ikzelf. Als de dag van gisteren herinner ik mij die orkaan in de Westkaap. Met één gigantische rukwind werden alle maskers afgeworpen en waren de vrouwen plotseling naakt. Ik weet nog dat ik de kracht van die naaktheid ervoer, diep van binnen. Laat jezelf maar zien, dacht ik. Ik haatte die hele façade daar, de afgescheidenheid, de onechtheid. Die haat heeft zich in mij genesteld en wordt aangeraakt als ik het gevoel heb dat ik hier niet gezien wordt. Dan vraag ik mijzelf af wie ik ben, wat ik hier kom doen en vooral: waar ik mijzelf kan terugvinden. Vanochtend besefte ik dat ik niet hoef te zoeken. Ik hoef niet te zoeken Chris. Hier ben ik. HIER ben ik. Altijd al geweest.” 

Metta laat zijn handen los en komt langzaam omhoog. Hij opent zijn ogen en ziet zijn geliefde zich ontdoen van haar kleding. Achter Metta bewegen de takken van de hoge bomen heen en weer door de onrustige wind en haar blonde haren waaien om haar gezicht heen. Als ze helemaal naakt is, spreekt ze in de taal van haar hart:

“Dit is ek. 
Ek is sag vir myself
Ek eer my verlede
Ek omhels alles wat op my pad kom
Ek omhels my pa
Ek omhels my ma
Ek omhels my man
Ek omhels my kinders
Hulle is die spieëls van my siel
Hulle wys dat ek my nog nie gevind het nie
Hulle wys waar ek vir myself kan staan
Elke keer as ek wil weghardloop, 
is dit net die vraag om by die huis te kom
Elke keer as ek woede voel, 
is dit die uitnodiging om te lewe en laat dit gaan
ek is lief vir die lewe
ek is lief vir myself
Kom huis toe
Elke dag weer
Kom huis toe
Met alles wat geleef is 
Ja, ek doen myself ’n belofte
Ek eer alles wat ek voel
En ek praat van my hart
Ek omhels myself
Dit is Ek” 

Chris staat op, gaat tegenover haar staan, brengt zijn voorhoofd naar dat van haar en met hoofden tegen elkaar horen ze de storm oplaaien. 

So gaan meisie 
Vier jou kinders. 
Vier jou man en liefde. 
En vergeet nooit dat jy nie vir niks hier was nie. 


Het eerste Afrikaanse deel vertaald in het Nederlands:

Als de wind komt, verandert het leven. Als de bomen gaan ruisen, als de druivenstruiken over het land rollen, dan zul je in je bloed voelen dat de verandering aanstaande is. Niemand zal blijven staan. Ze zullen afbreken, zoals een tak van een boom afbreekt. Ze zullen plat op de grond liggen, hun hoofden met de handen bedekken, omdat ze bang zijn dat hun hoeden met de wind zullen wegwaaien. De bloemenjurken worden omhoog geblazen en de enige bescherming die ze kunnen vinden, is de bescherming van hun eigen hart, maar… dat weten zij niet.

Jij wel. Jij weet het. Jij weet het zoals geen ander. Daarom zal jij blijven staan. Jij zal naar het toneel kijken waar ze allemaal naakt raken. Jij zal kijken naar de vrouwen die hun hoeden achterna rennen. Jij zal kijken naar de make-up op de gezichten van de vrouwen, ze zullen het afvegen, kruipend op de aarde. Het is de aarde die hun nieuwe make-up wordt, tot hun groot afgrijzen. De aarde zal hun gezichten bedekken, totdat zij hun adem vinden en daarmee de weg naar hun hart.

Maar de meesten zullen hun adem niet vinden en dus ook niet de weg naar hun hart. Ze zullen sterven in het geweld van de natuur. De kracht van de natuur zal ze maken of breken. Zij zullen breken. En jij blijft staan. Jij zal denken dat jij je voor de woede moet verbergen, voor de vernietigende kracht van de natuur, maar dit is jouw opdracht: verbind je juist met die kracht om ree voelen dat dit ook jouw kracht is. Je hoeft daarvoor niet bang te zijn. De kracht van Moeder Aarde is de kracht van elke vrouw. Nu ben je nog maar een klein meisje, maar je wordt een prachtige, wijze vrouw.

Je keert terug naar het platteland in het Noorden, waar je geboren bent. Je gaat terug naar het land waar geen onderdrukking is. Maar hier heb jij die onderdrukking gevoeld, en daarom vereenzelvig je je daarmee. Onthoud dat je een vrije ziel bent. Je zult jezelf terugvinden, roeiend op het water. Oog in oog met het riet, roeiend onder de weidevogels met je haren in de wind. Jij zal vrede op het water vinden, maar de storm die in jou zit blijft nog lang woeden… Vertrouw op het leven, vertrouw wat op jouw pad komt. Elke ontmoeting brengt je verder.

Waar je haat voelt, zul je groeien. Eerst richt je dit aan de verkeerde persoon. Onthoud goed dat in het leven niets is wat het lijkt. Als jij denkt dat hij je van het leven afhoudt, weet dan dat dit anders kan zijn. Hij brengt het leven in jou. Zijn zaad brengt de kleurrijke bloemen in jou tot leven. Het zijn de spiegels van jouw ziel. Maar de eeuwige storm die in jou woedt, zal je blind maken voor de schoonheid. De schoonheid die jij bent en wat jij geproduceerd hebt. Je bent een oervrouw, vergeet dat niet. Nu ben je nog een meisje, maar de wortels van jouw boom gaan diep de aarde in en daarmee voed jij jezelf vanaf je geboorte. Jij draagt die kracht en die zul je nooit verliezen. Dus ga meisje, zonder angst en met je borst vooruit. Vier het leven. Vier je kinderen. Vier jouw man en de liefde.

En vergeet nooit, dat je niet voor niks hier was.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll naar top